Ko Droogers
De Brieven van Ko
Inleiding
De Brieven
8-1-1940
29-1-1940
22-3-1940
26-3-1940
4-4-1940
9-4-1940
13-4-1940
20-4-1940
27-4-1940
23-5-1944
Brieven van anderen
Roode Kruis
Wilhemina
Huysse van der Veen
Uit een dagboek

Deventer 30 Jan '47

Geachte Familie Droogers.

Vanmorgen ontving ik Uw brief van 28 Jan. en zet ik me dadelijk neer U te antwoorden.

Mag ik U allereerst Mijn innige deelneming betuigen bij het verlies van Ko. Ik geloof niet dat ik heel veel woorden moet gebruiken om U te troosten en U van mijn medegevoel te doen blijken. Juist waar ik een zelfde verlies heb moeten verwerken, geloof ik, dat we elkaar zo zonder te veel woorden beter begrijpen, vooral waar zulk een verlies te groot is voor woorden.

Ons geloof en de verzachtende hand van de tijd kunnen ons in deze tijd alleen helpen. En ik hoop van harte, dat gij ook deze steun van onze hoogste Beschermer moogt ondervinden.

Mijn oudste jongen was net 19 jaar en studeerde voor onderwijzer toen de oorlog met Japan uitbrak. De laatste maanden vlak voor de capitulatie lag hij in het kamp Tjiptata, een schietbivak op de weg van Bandoeng naar Tjiandjoer en Soekaboemi. Daar leerde hij uw zoon kennen, die zijn Brigadiers was. De jongens lagen daar aan de grens van de vesting Bandoeng. Van de strijd zelf hebben ze toen weinig gemerkt. Ze zagen de vliegmachines van de Jappen overtrekken om hun lading op het vliegveld van Bandoeng te laten vallen. Hun bivak werd eerst met rust gelaten. Het lag ook nog al verborgen tusschen het heuvelachtige terrein. De Zaterdag voor de capitulatie kregen de Jappen het noodlandingsterrein en opslagplaats Radjamandal (een half uurtje van het af) in de gaten en kreeg dit een bombardement. Op hun terugtocht ontdekten ze ook het schietbivak Tjipatat en als de capitulatie den volgenden dag niet was gekomen, hadden zij zeker den dag er op een beurt gehad.

Ondertussen waren de Japanners al in de stelling Bandoeng gedrongen en zo kon het gebeuren, dat een tankauto die van Tjipatat wegreed, plotseling getroffen werd door handgranaten, ondaks de dubbele wacht bij Tjipatat.

Daarna kwam Zondagmorgen de capitulatie. De mannen waren allen diep onder den indruk. Vervoer was er niet en men gaf hun toestemming om naar huis te vertrekken. Dat was nog niet zo gemakkelijk. Bandoeng was zeker een ruim 30 Km verwijderd. Langs de weg vonden ze in de steek gelaten auto's en daarmede probeerden de meesten Bandoeng te halen. Ze hadden echter alles achter moeten laten, alleen een rugzak met wat kleeren hadden ze bij zicht.

Wij in Bandoeng zagen dien dag van alle kanten vermoeide en terneergedrukte soldaten terugkeeren. Hongerig, vuil en dorstig. Ieder hielp wat hij kon.

Ik keek natuurlijk steeds uit naar mijn zoon. Op een moment stopte er aan de overkant van ons huis een vrachtauto, waaruit vele jonge soldaten stapten. Mijn jongen was er niet bij, maar plotseling riep een stem: Mevrouw, Uw zoon Rienk is ook al onderweg in een andere auto. U zult hem wel spoedig zien.

Dit bleek later de stem van Uw zoon te zijn. Na een half uur kwam mijn jongen. Een bad, schone kleren en warm eten hielp hem weer een eind op weg. Daar ging de bel. Het was uw zoon Ko. Hij had eerst geprobeerd om met nog anderen door te kunnen gaan naar Solo, waar hij eerst had gelegen. Maar bij de grens van Bandoeng werden ze teruggestuurd. Mijn zoon had hem gezegd, dat hij altijd bij ons een tehuis zou kunnen vinden. En zo kwam hij dan aan. En nu kregen we weer hetzelfde -een bad – schone kleren en toen aan tafel. Ik zie hem daar nog zitten in een pijama van mijn jongste zoon, die een beetje te klein was.

Hij keek eens rond. “He” zei hij, een gedekte tafel -een schoon wit tafellaken -een stoel -bord -mes – en vork, -Wat een heerlijkheid na deze tijd.

Mak ik voor ik ga eten een gebed doen om voor dit alles te danken. Deze houding maakte een diepe en prettige indruk op me.

Toen ik later zelf drie jaar in een kamp heb gezeten met gemis van alle gezelligheid, comfort en hartelijkheid – heb ik de gedachten en de dankbaarheid van hem nog beter kunnen begrijpen. Dien avond en nacht waren ze rustig bij ons thuis. Jammer, dat de volgende dag de oproep kwam, dat alle militairen zich bij de kazernes in Bandoeng moesten melden. Anders zouden ze als deserteurs worden beschouwd en zonder proces gefusilleerd worden.

Onderduiken, zoals hier in Holland ging niet. Onze jongens met hun Hollandsche gezichten en gestalten, zouden tusschen de Indonesische bevolking direct opgevallen zijn.

Dus gingen zij naar de kazerne van het 1ste Depot. De eerste dagen mochten wij hen tweemaal per dag opzoeken en extra eten brengen. Dat deden wij dan ook. Ko hadden we maar als onze tweede zoon geadopteerd. Vooral mijn man praatte veel met hen. En zo bleek ons, dat Ko zo graag zich meer wilde ontwikkelen. We brachten hen boeken en vooral voor Ko, die daarom vroeg leerboeken over Nederlandsche letterkunde. Ik vertel dit om U te laten zien, hoe vol moed de jongens ondanks alles waren.

Al spoedig werd echter het bezoek en het brengen van eten aan de krijgsgevangenen verboden. Wij hoorden alleen clandestien wat van hen door de mannen die uit het kamp kwamen om te fourageren.

Daarna werd begonnen met het afvoeren van de mannen naar Tjimaki en naar Tjilatjap aan de Zuidkust van Java. Juist hadden we van een oudere vriend van ons gehoord, dat hij en ook Rienk en Ko nog niet weg moesten, of plotseling hoorden we niets meer en bleek, dat de mannen van het 1ste Depot toch ook weg waren. Wij dachten naar Tjimaki, maar het bleek later naar Tjilatjap.

Toen mijn man begin Augustus 1942 overleed, kon ik absoluut geen contact met mijn zoon krijgen. Uit Tjilatjap kwamen eerst ook zelfs clandestien geen berichten. In Oct hoorde mijn zoon van diezelfde oudere vriend van ons, waarover ik hiervoor reeds schreef, dat zijn vader overleden was. Deze Mijnheer had dit gehoord uit een clandestien briefje van zijn dochtertje. In dien tijd kwamen er eindelijk weer kleine briefjes door, die op allerlei wijzen naar buiten en binnen werden gesmokkeld. Zo kreeg ik Nov '42 een klein briefje van mijn jongen waaruit bleek, dat hij de tijding had gekregen. En hij schreef er bij, dat hij in deze dagen zooveel steun had aan Ko, die hem hielp om deze klap te verwerken. Ko kreeg daardoor een extra plaatsje in mijn hart.

Uit de berichten, die ik later van die oudere vriend kreeg, hoorde ik dat ze het een poos heel moeilijk hadden gehad door de slechte en hardhandige leiding van hun Japansche commandant, die ze dan ook de vriendelijke bijnaam van “Alva” hadden gegeven.

Tijden hoorden we toen niets meer, tot eindelijk een gesmokkeld briefje van die ouder vriend, de Heer Engelblik, me mededeelde, dat begin Januari 1943 alle gezonde en sterke jongens waren weggezonden. Waarheen wisten ze niet. Dit bleek achteraf Thaijland te zijn. Rienk en Ko waren daar ook bij.

Twee jaar lang hoorden we niets, tot eindelijk October 1944 een gedrukte briefkaart uit Kamp 2 Thaijland kwam, waaruit ik dus op kon maken, dat hij daar had gezeten. De 2de briefkaart ontving ik Mei 1945 en die was ook uit kamp 2 Thaijland gedateerd Mei 1944.

na de capitulatie van Japan in Aug. 1945 verkeerde ik maanden lang in dezelfde positie als U. Het Roode Kruis kon mij alleen bevestigen, dat Rienk en ook Ko, waarnaar ik meteen geïnformeerd had, in dat kamp in Thaijland hadden gezeten. Maar verder kwamen hun beide namen op geen enkele lijst voor.

Eindelijk ontving ik eind Januari 1946 een brief van een jongeman, die gelijk met Rienk in Thaijland had gezeten en van hem kreeg ik het droevige bericht, waarvan ik enkele dagen er na van het Roode Kruis de bevestiging kreeg.

Later sprak ik in Bandoeng nog een dokter, die tot de enkele geredden behoorde. En einde 1946 sprak ik hier in Holland die jongen, die mij de brief had geschreven. De dokter kon mij niets persoonlijks over Rienk noch over Ko mededeelen. De jongeman was tot vlak voor het ongeluk steeds bij Rienk geweest. Hij wist echter jammer genoeg niets aparts over Ko te vertellen.

Uit hun verhalen heb ik het volgende op kunnen maken.

In Januari 1943 waren zij een van de eerste groepen, die van Java naar Thaijland verscheept werden. Zij hebben daar moeten werken aan de beruchte spoorlijn. Zoals u waarschijnlijk wel uit alle berichten hierover hebt gelezen, was het werk zwaar. Mijn zoon was een poos ziek, maar heeft toen een poos kunnen werken aan groentetuinen. Eind April werden de gezonde jongens bij elkaar gehaald en werd een transport samengesteld voor Singapore. Het bestond uit 1289 Engelsen en Hollanders. (Ongeveer 1050 Engelsen en ruim 200 Hollanders)

daaronder hoorden ook Rienk en Ko. Ze waren toen allen gezond. 8 Mei 1944 vertrokken ze per trein naar Singapore uit het kamp Chungkei (Thailand), waar het transport 13 Mei arriveerde. Daar kregen ze 14 dagen rust. Een schoolvriend van mijn zoon ontmoette hem daar en vertelde, dat hij en ook de andere jongens er goed uitzagen en dat ze ondanks alles vol moed waren.

27 Mei 1944 werden ze ingescheept op een Japans schip (naar zij meenden de “Fuku Maru”) een vrachtschip van ongeveer 5000 ton, geladen met bauxiet en erts. Na ongeveer 64 dagen werd de vroegere Britse oliehaven Miri bereikt, waar ongeveer 8 dagen gewacht moest worden wegens een machinedefect, zoals de Jappen zeiden. Daarna voeren ze af naar Manilla, wat werd bereikt op 21 Juni 1944.

In deze haven heeft het schip gelegen t/m 19 Sept '44 met uitzondering van enkele korte tussenpozen, varieerende van 2 tot 4 dagen, waarop het de baai verliet om dekking te zoeken tegen Amerikaanse vliegtuigen tussen de eilandjes gelegen langs de Zuidkust van de Manillabaai.

De gevangenen mochten niet van boord en het eten was slecht. Vele gevallen van beri-beri kwamen voor. Volgens een rapport van een van de geredden overleden er in die tijd 4 Hollanders en 92 Engelsen. Op 20-9-44 vertrok het schip in convooi van ongeveer 25 schepen begeleid door meerdere torpedobootjagers en corvetten uit Manilla. 21 Sept 1944 's morgens tien uur werd het gehele convooi ter hoogte van San Narciso bij Subic-baij gebombardeerd door ongeveer 75 Am Navij duikbommenwerpers, welke zeer waarschijnlijk deel uitmaakten van een vlucht van ongeveer 450 vliegtuigen, die op dien dag Luzon zuiverden van Japanse lucht- zee en landeenheden in voorbereiding van de inval op Leijte, welke 12 Oct plaats vond. Het vliegveld Idak, ongeveer 30 Km Noord van de Subic-baij werd dien dag, zoals ze later van Philippino's hoorden volkomen vernield. Het bombardement, hetwelk begon om 10:05 v.m. was zo afdoende dat toen het om 10:30 eindigde er slechts een hele en 1 zwaar getroffen torpedobootjager over was. De “Fuku Maru”, die 2 near-misses en 2 voltreffers kreeg, brak doormidden en zonk binnen enige minuten. Slechts een groep van ongeveer 30 Hollanders en 50 Engelschen bereikten na 5 tot 7 uren zwemmen de kust en werden later weer naar Manilla gebracht, waar nog 2 man overleden aan bekomen verwondingen. Daar maakten zij zoo goed als zij konden een lijst op van de verdronken kameraden. Op die lijst kwamen de namen voor van mijn Rienk en uw Ko. Ik heb aan de dokter (F. Versnel) nog gevraagd of hij mij naar volle waarheid kon zeggen of er misschien nog een kleine kans bestond dat sommige jongens nog op een andere wijze gered zouden zijn. Daarop moest hij mij antwoorden, dat dit niet mogelijk was. Het schip zonk zo snel, dat wie niet direct boven is geweest, geen kans meer kreeg en met het schip is ondergegaan. Later hoorde ik, dat mijn jongen op dat moment zwaar beri-beri had en bijna niet kon lopen, dus voor hem was snel naar boven gaan uitgesloten.

Voor de geredden betekende dit helemaal niet het eind van hun lijden. Zij werden met een ander schip weer afgevoerd van Manilla en op weg naar Formosa voor de tweede maal getorpedeerd. Toch kwamen ze uiteindelijk op Hongkong- daarna Formosa en toen Japan aan. De reis was verschrikkelijk. In Japan hebben ze in het Noorden in de mijnen moeten werken. Die jongeman, die ik dan eind 1946 sprak vertelde me, dat dat helemaal een “hel” was geweest.

En zo moeten wij misschien nog blij zijn, dat onze beide jongens dit tenminste nog is gespaard gebleven.

In Japan zijn er nog enkelen gestorven, zodat er van dit transport maar zeer weinig overlevenden zijn.

Het schijnt, dat de Japanners toen langzamerhand begonnen in te zien dat verschepingen van Thailand naar Japan niet meer mogelijk waren, en dat heeft gemaakt, dat vele krijgsgevangenen niet na de jaren aan de spoorweg ook nog een reis en het ontzettend harde werken en de ontbering in de kampen en in de mijnen in Japan heeft behoeven mee te maken. Dat zou voor nog meerderen hun dood beteekend hebben.

Misschien hebben het verloren gaan van de levens van onze jongens en hun kameraden het leven van heel veel andere mannen op deze wijze gered.

En zo is ongeveer het droevige verhaal van deze reis, zoals ik dat uit de mond van de enkele overlevenden, die ik heb gesproken gehoord heb.

Het viel hen moeilijk om er over te praten. Al vertellende maakten ze alles weer mee en verloren ze als het ware opnieuw hun kameraden, die voor hen juist in deze moeilijke tijden echte vrienden waren geworden.

Maar tijpisch was, zoals ze altijd weer lieten uitkomen, dat de moed nooit verloren werd. Hoe ze elkaar bij stonden als er een het wat erg te kwaad kreeg. Er heerste een vriendschap en kameraadschap, zoals allen in tijden van leed en ellende van grote moeilijkheden mogelijk is.

En zo wil ik aan onze beide jongens blijven denken. Ik zou moeten zeggen “mannen” - want dat waren ze geworden door het leven. Vol moed en Vertrouwen- en dus innerlijk niet geknakt door de Japanse overheersing.

Ik weet uit mijn eigen tijd, dat ik in een Japans kamp op Java zat, hoe ze er naar streefden ons innerlijk te knakken. Maar zelfs bij de vrouwen en kinderen lukte dat niet. En ik ben blij dat het ook bij onze jongens zo was.

Nog vaak zullen onze gedachten naar hen teruggaan in het bijzonder op bepaalde dagen, zoals u straks op 12 Mrt.

Moge de Grote Baas ons helpen dit te aanvaarden, wat op onze schouders is gelegd, ook al kunnen wij het niet begrijpen.

Mogen wij alleen in opstand komen als de mensheid, ondanks alle harde lessen, in de toekomst toch weer door ons groot egoisme aan oorlog gaat denken.

Moge al deze jonge levens toch niet voor niets geofferd zijn.

Met hartelijke groeten en mijn beste wensen voor U

Uw N. Huysse van der Veen.